Wetgeving bijscholing

Wetgeving bijscholing

 

Rijlesgevers (brevet II, III, IV en V) en (adjunct)rijschooldirecteurs, dienen jaarlijks minimum 12u verplichte bijscholing volgen om up-to-date te blijven. De leerstof moet betrekking hebben op hebben op volgende punten:

  • punt 1: wijzigingen van de reglementering over de verkeersveiligheid in de brede zin en verdieping van de in de bijlage 2 van het KB van 11 mei 2004 bepaalde examenleerstof
  • punt 2: begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht
  • punt 3: begrippen en maatregelen tot bevordering van de verkeersveiligheid en de mobiliteit in het kader van de duurzame ontwikkeling
  • punt 5: voor de houders van brevet I: economische en organisatorische aspecten van de exploitatie van een rijschool

De bijscholing maakt deel uit van een cyclus van 3 jaar. Dit betekent dat de punten 1, 2 en 3 over een periode van 3 jaar mogen gespreid zijn, waardoor de lesgever zich jaarlijks kan verdiepen in een bepaald onderwerp. Op het einde van de cyclus van 3 jaar dienen de punten 1, 2 en 3 aan bod gekomen te zijn.  Voor een (adjunct)directeur is deze cyclus 4 jaar waarbij alle punten (1, 2, 3 en 5) aan bod dienen gekomen te zijn.

Hoe wordt deze cyclus bepaald?

Als een rijlesgever of directeur zijn instructie- of directietoelating heeft ontvangen voor 01/01/2014, dan is de referentieperiode 01/01/2014 -31/12/2016 (rijlesgever) en 01/01/2014 -31/12/2017 (directeur). De daaropvolgende cyclus is dan 01/01/2017 - 31/12/2019 voor een rijlesgever of 01/01/2018 – 31/12/2021 voor een directeur.

Wanneer een rijlesgever zijn instructie- of directietoelating heeft ontvangen na 01/01/2014, dan wordt er steeds gekeken naar de datum van de instructie- of directietoelating. De persoon heeft één jaar een vrijstelling en hierdoor begint de referentieperiode te tellen vanaf “datum van toelating +1 jaar” – plus 3 jaar (instructeur) of plus 4 jaar (directeur)”.

 

Bronnen:

TOP